Focus op de steinerschool: inhoud

Voor de liefhebbers: een overzicht van de inhoud van Focus op de steinerschool – onderwijs op maat van wie? (R. De Jonghe, Unibook 2009)

(De weergeven fragmenten zijn het begin van ieder hoofdstuk).

Een oud-leerling

‘Ik leefde in een wereld van elfen, kabouters en trollen, uitgebeeld op kleurrijke tafels en schoolborden. Met twee bevlogen ouders die beiden werkzaam waren in de steinerschool en de bijhorende cultuur volledig omarmden, zou ik groot gaan worden. Gevoelig, open en vol vertrouwen ging ik aan de hand van mijn moeder naar school, maar al vrij snel veranderde mijn kindbewustzijn in een alert volwassen bewustzijn. Naast de schoonheid en liefde die werd uitgedragen, bleef mijn kleine onderbuik signalen opvangen die een tegengesteld gevoel gaven. De tegenstellingen bleken heel groot. Aan de ene kant waren daar de lieve meesters en juffen, aan de andere kant de onbekwame, labiele. Het kon gebeuren dat de dag begon met een prachtig verteld verhaal, om een uur later aan de oren door de klas te worden gesleurd…

Woord vooraf

Dit schotschrift is een aanvulling op wat ik in tientallen kritische artikels schreef. Uit de reacties op en naar aanleiding van die artikels bleek niet alleen dat er mensen zijn die, zacht uitgedrukt, nare ervaringen hebben gehad met de steinerschool, maar vooral dat men blij was dat er eindelijk eens iemand in het Nederlands taalgebied de problemen in het steineronderwijs publiek bij naam begon te noemen. Het leverde vooral veel herkenning op. De donkere kant van de steinerschool belichten, waardoor een mogelijkheid wordt gecreëerd om in te zien dat die er wel degelijk is, werd voor mij een niet te verwaarlozen drijfveer om dit schotschrift te schrijven. Vanzelfsprekend denkt niet iedereen er zo over. Er komen ook wel eens andere gedachten langs.
‘Is het nodig een schotschrift over de steinerschool te publiceren? Per slot van rekening is de steinerschoolbeweging in de maatschappij een vrij onbekend verschijnsel en op onderwijsvlak een marginaal gegeven. Wie maalt erom dat het goede of slechte scholen zijn? Ze betekenen te weinig om er aandacht aan te besteden.’ Ook de houding die achter deze gedachten schuilgaat en die er een is van problemen wegcijferen, heeft me gemotiveerd om aandacht aan steineronderwijs te besteden…

Inleiding

Steineronderwijs profileert zich graag als steeds vernieuwend en vooruitstrevend. In de praktijk blijkt vaak het omgekeerde en de talrijke vernieuwingen die de laatste decennia in het onderwijsveld zijn doorgevoerd, lijken aan de steinerschool te zijn voorbijgegaan. Een paar jaar geleden bevestigde een schoolbegeleider ‘dat in de hele geschiedenis van de steinerschool in feite weinig is gebeurd. Er wordt nog steeds periodeonderwijs gegeven en de thematieken zijn nog grotendeels hetzelfde. Ideeën van Steiner worden nog klakkeloos overgenomen.’ (1)
Dat is op zich niet zo verbazingwekkend. Wanneer we historisch naar het onderwijs en meer bepaald de visie op ontwikkeling van kinderen kijken, blijkt dat drie grote strekkingen de laatste eeuw hun stempel op het onderwijs hebben gedrukt. Dat zijn: klassiek onderwijs (ontstaan 19de eeuw, eenzijdige nadruk op leerstof), reformpedagogie (Steiner, Freinet, enz., ontstaan begin 20ste eeuw, eenzijdige nadruk op het individuele) en ontwikkelend onderwijs (o.a. Vigotsky, tweede helft 20ste eeuw, individu en leerstof gaan samen). Het laatste noemt men regulier onderwijs en is in wezen een reactie van het klassiek onderwijs op de reformpedagogie, die op haar beurt weer een reactie was op het klassiek onderwijs. In die context zou men eigenlijk reformscholen kunnen zien als traditioneel onderwijs (de traditie van de grondlegger volgend), waar men reguliere scholen als vernieuwingsonderwijs zou kunnen betitelen (mee veranderend met en aanpassend aan de samenleving of ontwikkelend). Uitgangspunt van ontwikkelend onderwijs: niet alleen de persoonlijkheid van het kind, maar ook de verhouding van die persoonlijkheid, of misschien beter individualiteit, met de cultuur dient de volle aandacht te krijgen. Of: innerlijke ontwikkeling in samenspel met uiterlijke factoren.

1) Y. van Holsteijn, Vrijeschoolonderwijs toe aan vernieuwing?, Seizoener 2006

1. Concept steinerschool

1.1. Definitie en ontstaan
1.2. Opbouw
1.3. Onderwijsvrijheid

De steinerschool is een school waar les wordt gegeven aan de hand van de antroposofische inzichten van Rudolf Steiner (1861-1925), de grondlegger van de antroposofie, een esoterische leer. De eerste steinerschool, de Waldorfschool, ontstond in 1919 in Duitsland op vraag van Emil Molt, een vriend van Rudolf Steiner die directeur was van de Waldorf-Astoria sigarettenfabriek. In navolging van de Stuttgartse Waldorfschool ging al in 1923 de eerste Nederlandse steinerschool (Vrije School) van start in Den Haag. Belgische antroposofen moesten wachten tot 1954 voordat in Antwerpen een soortgelijk initiatief van de grond kwam. Momenteel telt België 25 steinerscholen, waarvan slechts 5 voorzien in de volledige cyclus van het voortgezet onderwijs. Wereldwijd zijn er ongeveer 965 steinerscholen, met zwaartepunt in Duitsland (212), de Verenigde staten (124) en Nederland (90).

2. Nader bekeken

2.1. Uithangbord
2.2. Totaalweigeraars
2.3. Uit onklare bron
2.4. Hoezo, worden wie je al bent?

‘Kinderen kunnen er doen wat ze willen, veel tekenen en schilderen, muziek maken en toneel spelen, maar voor het overige, in vergelijking met regulier onderwijs, weinig opsteken.’ Zo wordt vaak over de steinerschool gedacht. Ik ben de laatste om die gedachte te weerleggen, al mag ze wel worden genuanceerd. Kinderen mogen er bijvoorbeeld helemaal niet zomaar doen wat ze willen. Gezag speelt een heel grote rol. Zelfs in die mate dat het in de lagere school centraal staat. Een belangrijk kenmerk dat de steinerschool onderscheidt van reguliere scholen is de autoriteit van de leraar. Maar er zijn nog in het oog springende kenmerken die in tal van publicaties over de steinerschool aan bod komen: eenheidsschool waar onderwijs na de kleuterklas begint vanaf een eerste klas (6 à 7-jarigen) tot en met een twaalfde klas (18 à 19-jarigen); principieel vanaf de eerste klas zes tot acht jaar dezelfde leraar die mee opklimt met ‘zijn’ kinderen; geen beoordeling van resultaten in cijfers (rapport), maar een psychologische schets van de vorderingen van de leerling (einde schooljaar); weinig of geen handboeken; geen zittenblijvers; zaakvakken zoals taal, rekenen en geschiedenis worden afwisselend in periodes van drie tot vier weken telkens de eerste twee uren van de dag gegeven; aandacht voor vreemde talen vanaf de eerste klas; belang van handwerk en muzikaal onderwijs; het bewegingsvak euritmie (expressieve danskunst) als vast onderdeel in het curriculum en een ‘positieve’ benadering van het kind op basis van wat het kan en niet op basis van wat het nog niet kan. Dit is ongeveer het uithangbord waarmee de steinerschool vrij eenvoudig kan laten zien dat ze anders is dan een reguliere of methodeschool.
Wie louter op zoek is naar alternatief onderwijs vindt waarschijnlijk in al deze eigen(aardig)heden zijn gading wel. Tellen we daar het wervend taalgebruik (1) bij waarmee die paar kenmerken van het steinerproject bekend worden gemaakt, is het niet moeilijk om tot de slotsom te komen dat sommige ouders zonder verder na te denken hun kinderen inschrijven in de steinerschool. Ouders zijn soms gemakkelijk overtuigd door de voorstelling van de werking van de steinerschool, die zich trouwens ook graag ‘presenteert als verstrekker van ‘holistisch’ onderwijs richting vrijheid waarin het kind centraal staat, hoewel deze beschrijving misleidend is’. Want voor antroposofen hebben deze woorden een specifieke betekenis die niet gemakkelijk kan worden begrepen door een buitenstaander die niet is ‘ingewijd’ in Steiners esoterische leringen. Vrijheid betekent vrijheid voor antroposofie. Zo refereren de begrippen ‘het kind centraal en afgestemd op de leeftijd’ naar antroposofische dogma’s over kinderontwikkeling. (2) Maar wat achter die paar steekwoorden zit, dat komen ouders, als ze tenminste wakker genoeg zijn en niet worden begoocheld, pas te weten wanneer hun kinderen een tijdje naar school gaan.

1) J.D.Imelman en P.B.H.Van Hoek, Hoe vrij is de Vrije School – een analyse van de antroposofische pedagogiek, Intro 1983¨
2) P. Bierl, Pedagogik der runden Ecken, Jungle World No. 36, 6 October 2007

3. Persoonlijke ervaring

3.1. De kaken strak op elkaar
3.2. Geen incidenten

Waarom schrijft een vader van drie kinderen die naar de steinerschool zijn geweest en die daar een kater aan heeft overgehouden een schotschrift over de eigenaardigheden van een schoolbeweging waarover bij het publiek weinig tot niets is geweten? En dan nog een vader die actief was binnen deze beweging. Is die school, met haar van het reguliere afwijkende ideeën en soms karikaturale uitvoeringen daarvan, het waard dat een mens er zijn tijd aan besteedt? Misschien niet, maar toch gebeurt het. Daar is een heel eenvoudige verklaring voor.

3.1. De kaken strak op elkaar

Toen zich op pedagogisch vlak rond mijn kinderen allerlei problemen voordeden en ik die probeerde aan te kaarten, bleken alle steinerschoolse deuren toe te gaan. Fysiek en verbaal geweld door leraren mocht niet besproken worden. Dat een van mijn kinderen tijdens de lesuren op straat rondhing zonder dat iemand van de school het opmerkte evenmin. De jaren leerachterstand die mijn kinderen hadden opgelopen, moest ik er ook maar stilzwijgend bijnemen. Gezien de gegeven problemen was de kinderen zo maar eventjes van school veranderen geen optie, zodat ik contact opnam met Onderwijsinspectie en het Centrum voor Leerlingen Begeleiding. Maar vrij vlug wist ik dat ik in het systeem ‘zandbak’ was terechtgekomen.

4. Waarom steinerschool?

4.1. Mooie plaatjes
4.2. De argeloze ouder

Men kan zich de vraag stellen waarom ouders besluiten hun kinderen naar de steinerschool te sturen, terwijl die meer controverse teweegbrengt dan eender welk ander schoolsysteem. De kloof tussen voor- en tegenstanders blijkt daarenboven zo groot te zijn dat publieke discussies niet zelden ontaarden in regelrechte lastercampagnes waarbij geen middelen worden geschuwd. Onder andere daardoor is het moeilijk nog iets te publiceren in verband met de steinerschool zonder bij een van beide partijen te worden geklasseerd. Zowel integere critici als woordvoerders ontkomen niet aan het stempel van in het geval van de eersten haatdragend tegenover en in geval van de tweeden propagandist voor steinerpedagogie te zijn. De kans dat iedere objectieve poging om steineronderwijs te duiden bij voorbaat in de grond wordt geboord, is vrij groot. Wat wel opvalt: woordvoerders van de steinerschool komen, in tegenstelling tot critici, zelden met degelijke argumenten om hun zaak te verdedigen tegen wat zij in hun jargon ‘een aanval van de tegenmachten’ noemen. [1]
Regelmatig klagen ze critici via juridische weg aan. Ik heb me lang afgevraagd waarom men kritiek, als die toch nergens op gebaseerd zou zijn, niet gewoonweg de kop indrukt door er een goed onderbouwd verhaal tegenover te zetten. Wanneer je betrokken bent geweest, wordt begrijpelijk hoe het komt dat men vanuit de steinerschool niet tot zo’n verhaal komt: hoe minder de mensen weten, hoe beter. Elke dialoog die wordt aangegaan met critici die zich terdege hebben verdiept in de ‘steinermaterie’ draagt een risico in zich; dat van het moeten prijsgeven van enkele essentiële en hoogst bedenkelijke basisideeën waarop steineronderwijs is gefundeerd.[1] Met tegenmachten wordt in de antroposofie meestal de gevallen engel Ahriman bedoeld. In tegenstelling tot Lucifer, die de mens laat zweven, haalt Ahriman de mens naar beneden, de materie in. Ahriman wordt gezien als de inspirator van het materialisme.

5. Steiner en zijn idee fixe

5.1. Imaginatie
5.2. Driewerf hoera
5.3. Karma en reïncarnatie
5.4. Alle heiligen nog aan toe

Rudolf Steiner (Kraljevec1861 – Dornach 1925) was een charismatisch spiritueel leider die na enkele jaren voorzitter van de Duitse Theosofische Vereniging te zijn geweest, in 1913 de Antroposofische Vereniging oprichtte. De term ‘antroposofie’ haalde hij op uit het Grieks. Letterlijk vertaald betekent antroposofie ‘mensenwijsheid’ (anthropos: mens en sophia: wijsheid). Steiner stond bekend als intelligent, heel welbespraakt (hoewel niet altijd even gemakkelijk te volgen), beschikte naar alle waarschijnlijkheid over een fenomenaal geheugen en wordt beschreven als een indrukwekkende publieke persoonlijkheid. Zijn grote belangstelling lag vooral in wat hijzelf de ‘bovenzintuiglijke’ wereld noemt. Dit is de geestelijke wereld die niet zou kunnen worden waargenomen met behulp van onze gewone zintuigen. Enkel dankzij helderziende vermogens zou men een blik in de geestelijke wereld kunnen werpen. Helderziendheid die Steiner zichzelf toedichtte onder de noemer ‘schouwen’ en waarvan hij in zijn boek ‘Hoe verkrijgt men inzicht in hogere werelden?’ heeft beschreven hoe men dit vermogen kan ontwikkelen. Door zich voor zijn bevindingen bijna uitsluitend op deze vermogens te beroepen en door het ontbreken van verifieerbare bronnen in zijn geschriften, heeft Steiner zich buiten het wetenschappelijk discours geplaatst en wordt zijn antroposofie of geesteswetenschap als pseudowetenschappelijk gecatalogeerd. Aanhangers hebben rond de man een mythe gecreëerd die tegenwoordig door veel mensen voor waar wordt genomen.

6. Didactische antroposofie

6.1. Temperamentvol
6.2. Rekenen op hoop
6.3. Een benadering van lezen
6.4. ICT staat niet voor InCompeTent
6.5. Euritmie: de poppetjes aan het dansen
6.6. Geschiedenis: een algemeen verbreid geloof?

Als de levensbeschouwelijke achtergronden van steineronderwijs al slecht zichtbaar zijn, met de didactiek of onderwijskunde is het niet minder erg gesteld. Mijn ervaring is dat slechts weinig mensen in steinerscholen op de hoogte zijn van didactiek. De scholen beroepen zich voornamelijk op wat Steiner enkele dagen voordat in september 1919 de eerste steinerschool werd geopend als pedagogische, didactische en praktische aanwijzingen aan de toenmalige leraren heeft meegegeven. We hebben het dan over een veertigtal door Steiner gehouden voordrachten die later in boekvorm zijn verschenen. Deze aanwijzingen, die zowat alles behelzen wat Steiner over onderwijs wist te vertellen, zijn in weinig te vergelijken met wat tegenwoordig onder onderwijskunde wordt verstaan. Eerder zou men ze filosofische beschouwingen over onderwijs kunnen noemen, waarvan de concrete uitwerking zich beperkt tot een aantal bruikbare voorbeelden. Het handjevol aangereikte ideeën, gecombineerd met de talloze uitweidingen naar niet relevante onderwerpen, verraden Steiners gebrek aan een op onderwijs toegespitste theoretische achtergrond waarin zijn eigen ideeën kunnen worden gekaderd. Het is tekenend voor de geringe mate waarin Steiner zich verdiept heeft in onderwijs dat in zijn omvangrijke oeuvre van meer dan dertig zelfgeschreven boeken slechts één geschrift, een bescheiden essay over opvoeding en onderwijs, is terug te vinden [1].
Wie verwondert het dat onderwijs op zwakke onderwijskundige basis een grote hoeveelheid problemen met zich meebrengt?

[1] R. Steiner, De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie – een essay uit 1907, Vrij Geestesleven 1992

7. Rassenleer: lang leve de Ariërs

7.1. Het rassenvraagstuk

Het heeft er heel veel van weg dat de steinerschool het gedachtegoed van haar geestelijke vader niet alleen als achtergrondgedachte gebruikt, maar ook rechtstreeks in het onderwijs implementeert. Als het de lezer al zou verbazen dat Steiners fantastische voorstellingen of imaginaties voor de kinderen worden uitgebeeld als waarheid door het vertellen van mythologische verhalen tijdens de lessen geschiedenis, wat dan te denken van de gehanteerde ontwikkelingspsychologie. Op zich lijkt dat een ontwikkelingspsychologie die vrij schematisch is opgebouwd en waarin, vergelijkbaar met wat we bij Steiners aarde- en mensheidsontwikkeling gezien hebben, perioden van telkens zeven jaar de verschillende ontwikkelingsfasen uitmaken. We kunnen hier gerust van een consistent systeem spreken, wat niet verwonderlijk is, want in Steiners holistische optiek heeft alles met alles te maken. Het zogenaamde principe van zo boven zo beneden of de relatie tussen micro- en macrokosmos. Elke fase in de ontwikkeling van een mens is volgens dit principe te vergelijken met de ontwikkeling die de hele mensheid, maar ook de aarde, sinds ‘den beginne’ heeft doorlopen. Opvallendste gegeven in Steiners visie op mensheidsontwikkeling is dat de mens pas waarlijk mens genoemd kan worden van ongeveer het twintigste tot het veertigste levensjaar (vgl. worden wie je bent rond het 21ste levensjaar).

8. Aftandse pedagogie

8.1. Ont-individualisering
8.2. Kinderen van erfzonde bevrijden
8.3. Extreem over links
8.4. Zinvol straffen?
8.5. Willekeurige leraren

In het achterliggende wereldbeeld dat de steinerschool schraagt, wordt de mens gezien als een zich incarnerende geest die door herhaalde aardelevens aan een lichaam wordt geklonken om zijn karma in te lossen. Dit lichaam maakt deel uit van de schijnwereld (Steiners maya) en wordt pas door een ‘ik’ of geestelijke individualiteit doordrongen rond het eenentwintigste jaar. Voor die leeftijd spreken we nog van wordende mens. Hoe kan onderwijs stellen dat het zich op het individuele kind richt, terwijl tegelijkertijd wordt gezegd dat de individualiteit, het ‘ik’, pas rond het eenentwintigste jaar ontluikt? Welke individualisatie is er bijvoorbeeld terug te vinden in een leesmethode die, in tegenstelling tot bijvoorbeeld reguliere leesmethodes, niet is gebaseerd op peilingonderzoek naar leesresultaten van kinderen, maar daarentegen is ontstaan louter op basis van het idee dat kinderen de cultuurontwikkeling versneld moeten doorlopen en ze door meer inzicht in het beeldend karakter van het schrift te verwerven ook meer voeling met het woord krijgen? Waar in Steiners leesmethode wordt vermeld wat te doen met kinderen die in vergelijking met klasgenoten de cultuurontwikkeling trager, sneller of sprongsgewijs doorlopen? Daar waar zo hard geroepen wordt dat het individu centraal staat, is men verbazend stil over de individuele aanpak. In frontaal onderwijs is het nu eenmaal moeilijk om kinderen een leertraject op maat aan te bieden. Voor heel de klas dezelfde aanpak, op hetzelfde moment, tegen hetzelfde tempo zijn kenmerkend voor dit onderwijs. Wie sneller wil moet wachten. Wie niet meekan, gaat naar een remedial teacher. Althans wanneer de leraar niet tot die strekking behoort die van oordeel is dat het allemaal karmisch is bepaald en je daarom niet mag ingrijpen. Hoezo is steineronderwijs onderwijs waar de individualiteit van het kind in rekening wordt genomen?

9. Ah, sociaal

9.1. Sekte: hoe kom je erbij?
9.2. Oudertje strek je…
9.3. Zijn wel vaart wel

De steinerschool beroept zich graag op haar sociale opgave. Dat heeft te maken met het feit dat ze is ontstaan uit een politieke vernieuwingsimpuls. Rudolf Steiner wilde met zijn ideeën over driegeleding (economisch, rechts- en geestesleven) de bestaande maatschappelijke verhoudingen op een hoger sociaal plan tillen. Steiners plan werd door de goegemeente verworpen. Zelfs zijn eigen antroposofische achterban toonde weinig tot geen interesse voor zijn politieke ambities. Men begreep niet dat de vereerde meester, een ingewijde in hoger weten, zich met ‘smerige politiek’ bezighield. De sociale vernieuwing zoals Steiner die graag had gezien, bleef dus uit. De maatschappij nam hem en zijn ideeën niet op. Toch had hij nog een stok achter de deur: onderwijs. Zijn goede vriend, de industrieel Emil Molt, liep al lang met het plan rond om een school voor de kinderen van zijn fabrieksarbeiders op te richten. Enkele weken nadat duidelijk was geworden dat Steiner geen invloed op het politieke leven kon laten gelden, stemde hij in om de leiding van de nog op te richten school op zich te nemen. Er diende zich hierdoor een mogelijkheid aan om de school een voorbeeld te laten zijn van wat hij voor ogen had met sociale driegeleding. Steiner zei daarover:
‘…We zouden deze school graag een voorbeeld willen laten zijn; een school waar veel mensen eigenlijk naar verlangen, maar men heeft niet de moed dit verlangen onder ogen te zien. Men zal moeten geloven en begrijpen, dat datgene wat we het sociale vraagstuk noemen, ten nauwste samenhangt met het onderwijsvraagstuk. En bovendien, dat datgene wat we sociale omwenteling noemen, zich in de eerste plaats moet voltrekken zoals we dat in de Vrije School proberen…’ [1]

Doordat Steiners geesteskind van bij de conceptie een sociale opgave meekreeg, zouden de antroposofische uitgangspunten via de school een plaats op maatschappelijk gebied kunnen verwerven.

[1] R. Steiner & M. Boeke, Vrijheid van onderwijs en sociale driegeleding, Nearchus C.V. 1990

Geraadpleegde literatuur

  • Alfrink J. e.a., De gouden ster – Grepen uit het levenswerk van Wim Veltman, strijder in hart en ziel, Vereniging voor Vrije Opvoedkunst 2003
  • Beckmannshagen F., Rudolf Steiner und die Waldorfschulen. Eine psychologisch-kritische Studie, ed. J. Paul 2008 Zomereditie Vordenker.de, eerste uitgave Paul-Hans Sievers Verlag Wuppertal 1984
  • Bierl P., Pedagogik der runden Ecken, Jungle World No. 36, 06/10/2007
  • Boeke E. e.a., Antroposofie ter discussie, Vrij Geestesleven 1985
  • Boonen R., Irina, Jos, Ali en Mies – Interculturaliteit in maatschappij en school, Garant 2003
  • Bouma J. D., Revolutie op de Vrije School, NCR Handelsblad 08/09/2007
  • Bus A. & Kruizenga T., Leren lezen op een Vrije School, Pedagogische Studiën 1986
  • Bus A., Two more miles to go – Naar een balans tussen foneemtraining en betekenisverwerving in de bestrijding van leesproblemen en (pseudo-) dyslexie, oratie Universiteit Leiden 21/01/2005
  • Crum D., Onderwijs als kunst – Grondbeginselen en methoden van de Vrije Scholen, Wolters-Noordhoff 1983
  • De Cnodder I., Zorgverbreding in Vlaamse Steinerscholen, Werkgroep onderbouw Federatie van Steinerscholen in Vlaanderen 2004
  • Feys R., Rekenen tot honderd – basisvaardigheden en zorgverbreding, Plantijn 2002
  • Grandt G. & Grandt M., Schwarzbuch Anthroposophie, Verlag Ueberreuther, Wien 1997
  • Grandt G. & Grandt M., Waldorf Connection, Rudolf Steiner und die Anthroposophen, Alibri Verlag 2001
  • Henkens L.S.J.M, De kwaliteit van het onderwijs op (zeer zwakke) vrijescholen in het basisonderwijs periode 2003-2007, Inspectierapport 2007-23, Afdeling Communicatie Inspectie van het Onderwijs
  • Het leerplan Basisonderwijs Rudolf Steinerpedagogie, Federatie van Rudolf Steinerscholen in Vlaanderen 1998
  • Hogervorst J., Vrije Scholen op de tweesprong – het gesprek gaat verder, Driegonaal nr.3/4 oktober 2008
  • Hogervorst J., Vrije Scholen op de tweesprong, Driegonaal nr. 3/4 december 2007
  • Husmann-Kastein J., Schwarz-Weiss-Konstruktionen im Rassebild Rudolf Steiners, Vortragsmanuskript Tagung: Anthroposophie – kritische Reflexionen, Humboldt Universtität Berlin 2006
  • Imelman J. D. en Van Hoek P. B. H., Hoe vrij is de Vrije School – een analyse van de antroposofische pedagogiek, Intro 1983
  • Inspectieverslag Vrije Rudolf Steinerschool de Teunisbloem, vestiging Brakel, januari 2007, ref.0607/3/021
  • Jeurissen T., Uit de Vrije School geklapt, over antroposofie en racisme, een stellingname, Baalprodukties 1996
  • Landweer E., Met de handen werken, Vrij Geestesleven 1977 (voor het academiejaar 2008/2009 als syllabus uitgegeven door Hogeschool Helicon)
  • Lombard S., Spotlight on Anthroposophy, Cultic Studies Review Vol. 2 nr. 2, ICSA 2003
  • Lucas H., Struikelblokken bij het leren lezen, Basis voor leren lezen,  Gebruikersbulletin,  Zwijssen 1997
  • Met hart en ziel naar de Rudolf Steinerschool, brochure Federatie van Rudolf Steinerscholen in Vlaanderen
  • Projectgroep Euritmie in de vrije school, Mijn voeten kunnen praten, mijn handen kunnen zingen, Euritmie Academie Den Haag (Hogeschool Helicon) 2004
  • Rapport van het Parlementair onderzoek met het oog op de beleidsvorming ter bestrijding van de onwettige praktijken van de sekten en van de gevaren ervan voor de samenleving en voor het individu, inzonderheid voor de minderjarigen. Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, gewone zitting 28/04/1997
  • Schoolbrochure steinerschool Lohangrin Wilrijk
  • Schooltijdschrift ‘De Regenboog’, archief steinerschool Leuven
  • Steenbergen H., Vrije en reguliere scholen vergeleken – een onderzoek naar effectiviteit van Vrije scholen en reguliere scholen voor voortgezet onderwijs, Gronings Instituut voor Onderzoek van Onderwijs, Ridderprint 2009
  • Steiner R. & Boeke M., Vrijheid van onderwijs en sociale driegeleding, Nearchus C.V. 1990
  • Steiner R. & Steffen A., Een weg tot volwassenheid, Vrij Geestesleven 1978
  • Steiner R., Antroposofische menskunde als basis voor de pedagogie, Vrij Geestesleven 1984
  • Steiner R., Aus der Akasha Chronik, Rudolf Steiner Verlag 1986
  • Steiner R., De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie – een essay uit 1907, Vrij Geestesleven 1992
  • Steiner R., Die Methodik des Lehrens und die Lebensbedingungen des Erziehens, Rudolf Steiner Verlag 1974
  • Steiner R., Die Mission Einzelner Volksseelen im Zusammenhange mit der germanisch-nordischen Mythologie, Philosophisch-Anthroposophischer Verlag 1922
  • Steiner R., Gesammelte Aufsätze zur Literatur, Rudolf Steiner Verlag 1971
  • Steiner R., Het esoterische christendom, Vrij Geestesleven 1999
  • Steiner R., Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart 1919-1924, Rudolf Steiner Verlag 1975
  • Steiner R., Natuurwezens – de wereld van vuurwezens, elfen, nimfen en gnomen, Vrij Geestesleven 199
  • Steiner R., Nordische und Mitteleuropäische Geistimpulse, Rudolf Steiner Nachlassverwaltung Dornach 1962
  • Steiner R., Opvoedkunst – methodisch didactische aanwijzingen, Vrij Geestesleven 1987
  • Steiner R., Philosophie und Anthroposophie GA 35,  Rudolf Steiner Verlag 1984
  • Steiner R., Praktijk van het lesgeven – werkbesprekingen met leraren, Vrij Geestesleven 1989
  • Steiner R., Theosofie, Boekerij ‘De Komende Dag’ 1912
  • Steiner R., Wetenschap van de geheimen der ziel, W. de Haan 1924
  • Störig H. J., Geschiedenis van de filosofie, Aula 1986
  • Van Baarda e.a., Rapport v/d onderzoekscommissie ‘Antroposofie en het vraagstuk van de rassen’, Antroposofische Vereniging 2000.
  • Van der Meij A., Kinderbesprekingen in de Vrije School, Begeleidingsdienst voor Vrije Scholen 2002
  • Van Manen H. P., Wanneer verwachtte Rudolf Steiner de incarnatie van Ahriman?, Perun2007
  • Van Oort H., Antroposofie – een kennismaking, Vrij Geestesleven 2006
  • Worden wie je bent, Klasse voor leerkrachten 62, 1996
  • Zander H., Anthroposophie in Deutschland – Theosophische Weltanschauung und gesellschaftliche Praxis, Vandenhoek en Ruprecht 2007
Advertenties

Over Ramon De Jonghe
Vader van vier kinderen waarvan er drie naar de steinerschool gingen. Studeerde aan een antroposofische hogeschool, was opvoeder en bestuurslid in een steinerschool, medewerker in een bibliotheek van de Rudolf Steiner Academie. Voor de Antroposofische Vereniging trad hij op als info-verstrekker aangaande antroposofie en haar werkgebieden. Auteur van o.a. het schotschrift ‘Focus op de steinerschool - Onderwijs op maat van wie?’

One Response to Focus op de steinerschool: inhoud

  1. Zevann says:

    Me dunkt dat de “steinerscholen” een heel mooi initiatief waren in hun vrij asociale tijd van oprichting. Me dunkt dat het gewone onderwijs heel wat heeft opgestoken van het steineronderwijs om het stoffige, klassieke van het 19de eeuws model wat aan te vullen. En wat overal geldt: het staat of valt met de “natuurlijke” autoritieit die leerkrachten aan de dag leggen. Vaak hebben Steinerleerkrachten meer aandacht voor het individuele van hun leerlingen, ze zijn ideoligische meer gedreven dan 8to5 leerkrachten die enkel hun job doen.
    Wezen we maar dankbaar voor de invalshoek van de Steinerscholen!

%d bloggers liken dit: