Impuls boekbespreking

Drie jaar bloggen en het schrijven van een boek maakt dat nu ook de academische wereld aandacht besteedt aan mijn kijk op de steinerschool. In het meest recente nummer (juli-september 2010) van het tijdschrift Impuls verscheen een boekbespreking van ‘Focus op de steinerschool – Onderwijs op maat van wie?’.

De boekbespreking volgt hieronder, maar eerst iets over het tijdschrift en de uitgeverij. Impuls wordt uitgegeven door de wetenschappelijke uitgeverij Acco, actief in alle wetenschappelijke domeinen, onder andere (ortho)pedagogiek en onderwijskunde. Impuls is niet het eerste het beste tijdschrift. Zie hier voor de beschrijving.

Impuls, Tijdschrift voor Onderwijsbegeleiding is het enige tijdschrift in Vlaanderen dat de onderwijsactualiteit volgt vanuit het oogpunt van de onderwijsbegeleiding. Impuls verdiept je onderwijsvisie en plaatst ze in een ruimer kader. Het houdt je kennis up-to-date door het signaleren van trends, het trekt je aandacht op nieuwe publicaties in binnen- en buitenland, het maakt kanttekeningen bij onderwijstoestanden. Impuls beperkt zich echter niet tot het achternahollen van de actualiteit. Het poneert (soms controversiële) stellingen en belicht het onderwijslandschap vanuit verschillende hoeken. Het laat verschillende meningen aan bod komen en schenkt aandacht aan actuele en op handen zijnde stromingen. Impuls wil impulsen geven voor een dynamisch en creatief onderwijs en voor de professionalisering van het beroepsleven.

Tot zover Impuls en Acco.  Want het gaat nog altijd over de boekbespreking. Zoals beloofd kunt u die hier, met dank aan de redactie van Impuls,  integraal lezen.

Voor u gelezen

De steinerschool van een andere kant bekeken (H. Vyverman, Impuls, 41e jg., nr. 1, juli-september 2010, p. 47-50.)

DE JONGHE, R.

Focus op de steinerschool – Onderwijs op maat van wie?

Unibook, 2009, 150 p. (€ 13,90)

Nog maar pas heeft een jongeman in een televisiequiz hoog gescoord en zich ‘geout’ als een oud-leerling van de steinerschool, of we krijgen een boekje in de hand dat de steinerschool en de onderliggende pedagogiek kritisch onderzoekt. Een schotschrift is het, zegt de auteur zelf. Dit is volgens Van Dale “een pamflet dat iemand op smadelijke wijze aanvalt”. ‘Smadelijk’ is dan weer ‘vernederend, beledigend’. Vleiend is het boek in elk geval niet.

De auteur

“Ramon De Jonghe (Herentals, 1969) is vader van vier kinderen, waarvan er drie naar de steinerschool gingen. Hij studeerde aan een antroposofische hogeschool, was opvoeder en bestuurslid in een steinerschool en medewerker in een bibliotheek van de Rudolf Steiner Academie.” Aldus de achterflap. Waarom de auteur zich achter een schuilnaam verbergt, is onduidelijk, omdat er in het boek zovele voorbeelden aangehaald worden dat het voor insiders een kleine moeite moet zijn om de ware identiteit van de auteur te achterhalen. In de veronderstelling dat de auteursgegevens en de aangehaalde voorbeelden correct zijn natuurlijk. Als we dat aannemen, hebben we hier te maken met een authentieke publicatie van een bevoorrechte getuige.

Waarom dit boek?

We hebben dit boek ‘voor u gelezen’. Dat wil zeggen dat wij als redactie hierin geen standpunt innemen, maar wel een zo objectief mogelijke samenvatting van de argumenten van de auteur geven, waarbij de letterlijke citaten cursief gedrukt staan. In het laatste gedeelte van deze bijdrage komt ons commentaar aan bod.

Het grote publiek kent de steinerschool als een alternatieve school die vooral vrijheid en blijheid uitstraalt en waar de leerlingen op een meer speelse manier leren. Men denkt dan aan allerlei vormen van creativiteit met veel aandacht voor het individuele kind en zijn mogelijkheden. Het echte ‘leren’ komt er minder aan bod. Sympathiek en ongevaarlijk.

De auteur kent echter een andere steinerschool: de school die gebaseerd is op de dubieuze antroposofische denkbeelden en publicaties van Rudolf Steiner. Ze is helemaal niet zo lief en kindvriendelijk als ze zich voordoet, integendeel. Daarbij komt dat de onderwijskwaliteit – toch een van de belangrijkste elementen van het onderwijs –  onvoldoende is.

Het bewijs

De Jonghe haalt het hele gamma van bewijzen aan: eigen ervaringen, getuigenissen van derden, ontleding van de geschriften en toespraken van Steiner, (recente) officiële rapporten en verslagen, enzovoort. De getuigenissen en ervaringen zijn per definitie subjectief, maar de ontleding van Steiner gebeurt grondig: telkens wordt in een voetnoot verwezen naar het desbetreffende werk van Steiner of naar het betrokken rapport. Dat laat de auteur toe te bewijzen wat bewezen moest worden: ‘de steinerschool deugt niet’.

En wel hierom

Het boek begint met het getuigenis van een oud-leerling, kind van twee bevlogen ouders, beiden werkzaam in de steinerschool (p. 7). Hij/zij klaagt over de tegenstrijdige gevoelens die hij/zij had in de steinerschool: er waren zowel lieve meesters en juffen als onbekwame en labiele. ’s Morgens een prachtig verhaal, ’s middags aan de oren door de klas gesleurd. De dierbare voetbal die kapot gestoken werd, want “als men voetbalt, schopt men tegen de aarde”. De biologische vader die niet ontmoet mocht worden omdat hij geen antroposoof was. Kortom: isoleren en negeren werd afgewisseld met slaan, aan de oren trekken en verbaal afbranden. Dat dit getuigenis geen alleenstaand feit is, zal De Jonghe verder bewijzen.

In het eerste hoofdstuk schetst hij een beeld van de steinerschool van vandaag: ze pretendeert holistisch te zijn, het kind zou er centraal staan, het zou vernieuwend onderwijs zijn, enzovoort. Dat dit allemaal gebakken lucht is, daar komen wakkere ouders pas veel later achter. Het argument waarmee hun kritiek gepareerd wordt, is steeds hetzelfde: men moet dat zien in de antroposofische context. En dat is alleen mogelijk voor wie in de antroposofie ingewijd is. Veel taboes ook: ongeveer alles wat moderne  kinderen prettig vinden (televisie, cola, …) is verboden. Idem wat de actualiteit betreft: geen tsunami, wél het zondvloedverhaal. En zeker geen seksuele opvoeding.

Het steineronderwijs profileert zich graag als vernieuwend, maar is dat absoluut niet omdat het de onderwijsvernieuwingen van de laatste decennia afgewezen heeft. De zogenaamde ‘Vrije Scholen’ (dat is niet het vrij – katholiek – onderwijs, maar de groepering van methodescholen in Nederland) zijn dus in werkelijkheid conservatief: de ideeën van Steiner worden nog altijd onverdund en letterlijk toegepast. En die ideeën zijn niet altijd even eenduidig of onschuldig. Zo heeft Steiner over het overwicht van bepaalde rassen stellingen gepubliceerd die vandaag strafbaar zijn (p. 25). De hele antroposofische onderbouw wordt door de auteur aan een kritisch onderzoek onderworpen en verworpen, onder meer omdat het een onsamenhangende en esoterische ideologie is. Voorbeelden bij de vleet.

Hoofdstuk 3 (p. 31) gaat over de persoonlijke ervaring van ‘Ramon De Jonghe’ als een vader die een probleem heeft met de school van zijn zoon. Het is een verhaal over tegenwerking, manipulatie en fysieke intimidatie dat overgaat in het volgende hoofdstuk, waar de vraag gesteld wordt: waarom de steinerschool? Alleen al de vraag stellen blijkt een hachelijke onderneming, omdat “iedere objectieve poging om steineronderwijs te duiden bij voorbaat in de grond wordt geboord, vrij groot is”. In tegenstelling tot de critici, “die hun zaak met degelijke argumenten verdedigen’, reageren de voorstanders van de steinerscholen “met wat zij in hun jargon ‘een aanval van de tegenmachten’  noemen” (p. 41). Opnieuw wordt gesteld dat de grote idealen van de steinerschool, namelijk schoonheid, goedheid en waarheid, erg gehypothekeerd worden door de respectloosheid, grofheid, brutaliteit, arrogantie en onverschilligheid waarmee over ouders en kinderen gesproken wordt. Het gevolg van dit alles is dat de kinderen De Jonghe vrij vlug van die school gehaald werden. Toch waren er al negatieve gevolgen: ondanks een normale begaafdheid en de afwezigheid van leer- en gedragsstoornissen moesten beide kinderen naar het buitengewoon onderwijs wegens te veel leerachterstand en een slechte leerattitude. Ze zitten niet bij hun leeftijdsgenoten, wat een blijvende frustratie is. Uit een getuigenis van een moeder blijkt dat haar kind eveneens een grote leerachterstand heeft opgelopen. De antroposofische leesdidactiek zou hiervoor verantwoordelijk zijn.

In hoofdstuk 5 (p. 49) worden Steiner en zijn idee-fixe behandeld. Er wordt uitvoerig geciteerd uit de werken van Steiner en anderen om te bewijzen dat zij niet alleen bijna onleesbaar zijn, maar ook onrealistisch. Het is wel duidelijk  dat Steiner erg gesteld is (een eufemisme, zoals nog zal blijken) op sagen, mythen en verhalen. Allemaal vrij theoretisch, maar noodzakelijk voor een goed begrip. We gaan hier dus niet dieper op in, maar wijzen toch even op de reële aanwezigheid van dwergen en demonen, Lucifer (“de knappe verleidelijke duivel”), elfen en gnomen, de kwade geest Ahriman, “het mythologische verzonken continent Atlantis en zijn aan de zondvloed ontsnapte Ariërs, de meestontwikkelde soort op aarde die onze huidige cultuur bepaalt, (…) probleemkinderen waarvan de oorzaak van hun probleem in een rekenfout in de kosmos moet worden gezocht” (p. 53) e.d. Volgens Steiner zijn dit gewoon feiten, wetmatigheden, waarheden. Ook karma en reïncarnatie zijn twee sleutelbegrippen uit Steiners antroposofie. De belangrijke functie van de slaap wordt nog eens belicht. Tijdens de slaap zou er namelijk een ontmoeting plaatsvinden tussen leraar en leerling. “Vanuit de geestelijke wereld worden dan onzichtbare draden gespannen” (p.61). Volgt u nog?

Is de steinerschool een vrije school, waar elke geloofsovertuiging aan bod komt? Neen, citeert De Jonghe een publicatie van Boonen et al.: “De Rudolf Steinerpedagogiek is een normatieve pedagogiek met een sterk evocatief karakter. Vooral de ideeën van Steiner omtrent reïncarnatie, kosmologie, natuur-geestverhouding (bvb. in verband met het ik-lichaam, het fysieke lichaam, het ether lichaam, het astrale lichaam), de ontogenese als recapitulatie van de fylogenese, enz. getuigen van een verouderd en archaïsch mens- en wereldbeeld” (p. 64). De auteur laat niet na geregeld te wijzen op het autoritaire karakter van Steiner.

Hoofdstuk 6 gaat dieper in op de didactische antroposofie. De basis van deze didactiek werd door Steiner in het begin van vorige eeuw gelegd en wordt nagenoeg ongewijzigd uitgevoerd. Steiner hield er bijvoorbeeld een heel eigen rekendidactiek op na. De temperamentenleer van Hippocrates (bij elk van de vier lichaamssappen hoort een bepaald persoonlijkheidstype) wordt niet alleen als basis gebruikt om de verschillende types in afzonderlijke groepen bij elkaar te zetten in de klas, hij is ook de basis voor een gedifferentieerde aanpak van elke groep. Zo krijgen de  melancholici voor rekenen een aftrekking voorgeschoteld, terwijl de sanguinici een vermenigvuldiging moeten maken. De flegmatici leren optellen vanuit een som en cholerici vanuit de delen. Ook het leesonderwijs vindt geen genade in de ogen van de auteur, onder meer omdat het te ver afstaat van de realiteit (zie Steiners voorkeur voor mythen en sagen en het standpunt dat een kind pas rijp is om te lezen als het van tanden gewisseld heeft; bovendien: te vroeg leren lezen leidt tot kaalheid (p. 83)).

Speciale aandacht van De Jonghe, maar nog meer van Steiner, gaat uit naar de Euritmie, een heilig huisje, dat niet alleen een pedagogische waarde, maar ook een therapeutische werking zou hebben (p. 92).

Aan het vak geschiedenis worden twaalf bladzijden gewijd. Dat vak blijkt helemaal een puinhoop te zijn: alleen aandacht voor mythen en sagen, incompetente leraren, geen aangepaste didactiek, feiten en verzinsels die op één hoop worden gegooid en noem maar op. Het gevolg van deze hele didactiek (of het gebrek eraan) is bekend: een hopeloze leerachterstand.

In het zevende hoofdstuk ‘Lang leve de Ariërs’ ontleedt de auteur de rassenleer van Steiner. Het komt erop neer dat “de mensheidsontwikkeling volgens Steiner verdeeld wordt in drie periodes (…). De periode voorafgaand aan het mens-zijn associeert Steiner met de gele en bruine rassen; de periode erna met de Indianen; en de periode waarin de mens waarlijk mens is (…) wordt voorbehouden voor de Europeanen. Over deze ‘rijpe’ periode heersen normale geesten, terwijl op de andere periodes de abnormale geesten hun stempel drukken” (p. 107). Ook over de joden had Steiner zo zijn mening. De auteur noemt die stellingen van Steiner en zijn volgelingen dan ook “onverdund racisme” (p. 110).

Didactiek is één ding, pedagogiek een ander. Karma, reïncarnatie, astraal lichaam, het ‘boven-zoals-beneden’-principe, de temperamententheorie, … het zijn allemaal uitgangspunten die de pedagogie kleuren. “Als de antroposofische leer zegt dat de mens pas vanaf zijn twintigste onder de invloed van normale geesten komt, is het een kleine stap om te stellen dat de mens voor die leeftijd ziek, zondig of niet normaal is” (p. 113). Hij moet dus genezen worden, onder meer door hem te bevrijden van de erfzonde. Dat kan therapeutisch en met de hulp van de evangeliën. Zo helpt het Lucasevangelie bij pathologisch-therapeutische problemen, het Johannesevangelie om idealisme aan te wakkeren, enzovoort. Ieder zijn specialiteit. Het is meer dan duidelijk: noch de steinerdidactiek, noch de steinerpedagogiek vindt genade in de ogen van De Jonghe. Om zijn kritiek te staven citeert hij rijkelijk uit het dagelijkse steinerschoolleven en uit het werk van Steiner zelf, onder meer over linkshandigheid. “De kinderen linkshandig laten, betekent ze niet intensief genoeg met onze tijd, met het actieve leven verbinden. Zij zijn vaak ook erg onhandig. Het is goed om zo vlug mogelijk linkshandigen trachten te genezen” (p. 118).

De Jonghe heeft het zwaarste argument van dit schotschrift voor het laatste hoofdstuk (Ah, sociaal) gehouden. Daarin onderzoekt hij diepgaand of de steinerschool een sekte genoemd kan worden. Op basis van heel wat voorbeelden uit de realiteit en van de geschriften van Steiner komt hij tot de conclusie dat zij aan heel wat criteria beantwoordt (p. 132). Met een stukje over de (zeer geëngageerde) bijdrage van de ouders wordt het boek afgesloten.

En nu?

Een kritisch boek vraagt erom kritisch gelezen te worden. Dit boek is een schotschrift en heeft openlijk de bedoeling de steinerschool in diskrediet te brengen. Het is dus subjectief. Maar is het ook selectief? De auteur heeft duidelijk een rekening te vereffenen met de hele antroposofische wereld, een wereld die hem welbekend is. Dat is tegelijk de sterkte en de zwakte van deze afrekening. Het zou echter te gemakkelijk zijn om het af te doen als een reactie van een misnoegde ouder of oud-medewerker. Daarvoor is het te goed gedocumenteerd en onderbouwd. Getuigenissen over een onverwerkt schoolleven hebben we voldoende, uit alle onderwijsmilieus. Tot op zekere hoogte is dit boek een getuigenis: een aantal voorbeelden overstijgt het anekdotische niet. Je hoeft de context maar te wijzigen en je bent klaar: op welke school wordt er nieteens aan de oren getrokken? Is een jaar overdoen echt zo dramatisch (de reden waarom, misschien wel)? Zijn alle leraren in elke school even competent? Wegen de getuigenissen allemaal wel evenveel? Je zou dat deel van het boek dus gemakkelijk naast je kunnen leggen. Maar De Jonghe (of wie hij ook mag zijn) graaft dieper. Hij gaat op zoek naar de achtergronden van dit onderwijssysteem dat dit gedrag mogelijk maakt en staaft zijn beweringen met citaten van de stichter. Mogelijk kun je ook die weerleggen met weer andere citaten, maar dat is tot nu toe niet gebeurd. Als dit allemaal waar is, dan kan de steinergemeenschap dit niet over haar kant laten gaan. Vooral de beschuldiging een sekte te zijn (de auteur laat het wijselijk iemand anders zeggen, of zet er een vraagteken achter), geen degelijk onderwijs te geven en zich te baseren op racistische ideeën, is niet van de poes. Wij kunnen ons niet voorstellen dat de steinerscholen blij zijn met dit boek, ook al is het maar een schotschrift.

Helmar Vyverman

Advertenties

Over Ramon De Jonghe
Vader van vier kinderen waarvan er drie naar de steinerschool gingen. Studeerde aan een antroposofische hogeschool, was opvoeder en bestuurslid in een steinerschool, medewerker in een bibliotheek van de Rudolf Steiner Academie. Voor de Antroposofische Vereniging trad hij op als info-verstrekker aangaande antroposofie en haar werkgebieden. Auteur van o.a. het schotschrift ‘Focus op de steinerschool - Onderwijs op maat van wie?’

One Response to Impuls boekbespreking

  1. Aelterman Lieve says:

    Idem ons jongste dochter ging vanaf het 1ste middelbaar naar de “Steinerschool”.Was haar eigen keus.
    Zat op haar honger, wiskunde en taal reeds gezien in basisschool, maar heeft veel bijgeleerd betreffende creatieviteit, tekenen enz…
    Jammer voor haar, traantjes allom, zijn wij als ouders na 1 jaar tot conclussie gekomen: te duur, betalen volgens je brutto inkomsten, idem extra betalen voor lessen niet gesubsideerd door de overheid, desondanks nog 2 studerende kinderen aan de universiteit, wordt hier geen rekening mee gehouden in de “Steinerschool”.
    Prioriteit ” Steinerschool ” De ouders “middenklasse” betalen maandelijks de schoolfacturen, opleiding + nog eens extra maandelijks betaling volgens hun brutto- belasingsaangifte “.
    Na diverse informatie vernomen dat de 3/4 van de ouders zogezegd, afzonderlijk woonden,gescheiden, werkloos, geen inkomsten enz…en … hoera, deze categorie niets moesten bijdragen, en van de veronderstelling uitgingen zo behaald ons kind toch zijn of haar diploma ASO. Frustrerend voor ons “werkende mensen”, op deze wijze koop je een diploma ASO.

%d bloggers liken dit: